De bovenste extremiteit – de arm, vanuit de Westerse Geneeskunde

Facebooktwitter

Westerse anatomie

WP_20160423_040

In boeken en op platen worden de armen meestal afgebeeld alsof zij naar buiten gedraaid staan. De handpalmen wijzen dan naar voren. Dit komt niet overeen met de natuurlijke, ontspannen houding van de arm als wij staan. Als een arm ontspannen langs het lichaam hangt, dan zullen de handpalmen naar het lichaam toewijzen.
Waarom wordt dan voor deze afbeelding gekozen? De Ulna, hier blauw ingekleurd, en Radius, hier roze (ellepijp en spaakbeen) liggen in deze houding naast elkaar en zijn ze daarmee goed zichtbaar. Op het moment dat de arm in een ontspannen houding “hangt”, dan draait de Radius over de Ulna heen, kruisen de botten elkaar en zijn daarmee minder goed zichtbaar en daarmee minder goed te bestuderen.

De opbouw van de arm van distaal naar proximaal

Distaal staat voor “verder weg” van ons centrum, onze wervelkolom. Proximaal staat voor “dichter bij” ons centrum.

Waar wij onze armen ook voor gebruiken, zij zijn opgebouwd om grote, op het lichaam inwerkende duw- of trekkrachten optimaal over te dragen en om te zetten. De constructie van het skelet maakt de krachtoverdracht bijzonder effectief. Zo wordt een externe duw- of trekkracht van 5 (vingers) naar 2 (onderarmbotten) naar 1 (bovenarmbot en dan borstbeen) overgebracht, zonder dat er beschadigingen aan het weefsel of energieverlies plaats hoeven te vinden. En andersom wordt door ons gecreëerde, interne duw- of trekkracht van 1 naar 2 naar 5 overgedragen zonder of met minimaal energieverlies.

De hand

rechter hand
In onze vingers herkennen wij makkelijk de vingerkootjes (falangen/een falanx) en we weten dat de vingers er drie en de duim er slechts twee van hebben. De vingers hebben een distale, een middelste  en een proximale falanx. De duim heeft de middelste niet.
De vijf proximale falangen (in de tekening paars ingekleurd) raken  de vijf metacarpalen (hier turqoize). De metacarpalen raken de vier intercarpalen en deze raken de vier carpalen. De 5 metacarpalen en de 8 carpalen nemen wij als handpalm en handrug waar.
De intercarpalen en de carpalen vormen het distale polsgewricht. De vier carpalen raken ellepijp en spaakbeen. Hier spreken wij van het proximale polsgewricht.

De falangen vormen onderling scharniergewrichten. Zij kunnen slechts in één anatomisch vlak bewegen en slechts buigen en strekken. De vijf proximale falangen vormen met de vijf metacarpalen gewrichten die net iets meer bewegingsmogelijkheden hebben. Ook zij buigen en strekken, maar zij maken ook een adductie en een abductie van de vingers mogelijk. Hier “spreiden en sluiten” wij onze vingers.
De metacarpalen van de vier vingers vormen glijdende gewrichten met de carpalen. De duim vormt een zadelgewricht met de carpalen. Hierdoor heeft de duim de mogelijkheid om tegenover de vingers te gaan staan en we kunnen dingen grijpen en vasthouden.
De carpalen vormen dan met het spaakbeen een ellipsoïd gewricht. Hierdoor kunnen wij de proximale pols draaien (rotatie), de hand naar het lichaam toe en van het lichaam weg buigen (adductie en abductie).

Soms zijn wij er ons niet van bewust hoe bijzonder de duim juist om het zadelgewricht is. Door zijn bijzondere flexibiliteit krijgen wij mensen veel mogelijkheden die de meeste dieren (op apen na) niet hebben.

rechter hand

De onderarm

In de pols vindt een verandering in de krachtoverdracht plaats. Externe krachten worden van 4 naar 2 botten samengevoegd. Interne krachten van 2 over 4 botten verspreid.

Aan de duimzijde maakt vooral de Radius, het spaakbeen contact met de carpalen van de hand (hier roze ingekleurd). Aan de pinkzijde vormt het uiteinde van de Ulna, de ellepijp (hier blauw) een deel van het proximale polsgewricht. Tussen Radius en Ulna zijn deze twee botten middels een membraan met elkaar verbonden.

Het bijzondere aan de onderarm is dat Radius en Ulna om elkaar heen kunnen draaien en zo de botten elkaar kruisen. Dat gebeurt op het moment dat wij onze handpalmen naar binnen of naar beneden draaien (pronatie).

Onderarm

Aan het proximale eind van Ulna en Radius dragen deze twee botten de duw- en trekkrachten over aan slechts één bot, de Humerus. Ook het ellebooggewricht heeft een bijzondere vorm: De Radius maakt hier slechts een klein gedeelte van het gewricht uit. Het aan de buitenzijde gelegen uiteinde van de Humerus (bovenarmbot) raakt de Radius.
De Ulna stelt hier het grotere gedeelte van het gewricht daar: De Ulna heeft een verlenging, het Olecranon dat aan de achterzijde van de Humerus langsglijdt. Dat is het “puntje van de elleboog”, aan de achterzijde (posterior) goed voelbaar als we de arm buigen. Verder raakt de Ulna de Humerus bij de Condylus aan de binnenzijde.

Onderarm

Dankzij deze constructie kan de Radius om de Ulna heen draaien; de Radius vormt met de Humerus een draaigewricht, terwijl de Ulna met de Humerus een scharniergewricht vormt. Het draaigewricht maakt het kruisen van de onderarmbotten mogelijk en het scharniergewricht beperkt de bewegingsmogelijkheden van de elleboog op één anatomisch vlak.

De bovenarm

De bovenarm heeft slechts één bot, de Humerus. Aan het distale eind van de Humerus zijn de Condylen zo gevromd, dat de Olecranon van de Ulna ertussen langs kan glijden. Bovenarm
Bovenarm (1)Het proximale eind van de Humerus is het kogelvormige deel van het kogelgewricht bij onze schouder. Een kogelgewricht maakt bewegingen in alle vlakken en zelfs rotatie mogelijk.
In het schoudergewricht komen Humerus en schouderkom bij elkaar. De schouderkom is een (ondiep) komvormig gedeelte van het schouderblad (Scapula) dat de Humerus raakt, maar niet omsluit. Hierdoor wordt het gewricht niet bijzonder stevig, maar wel bijzonder flexibel. Het schoudergewricht wordt voornamelijk door de banden (Ligamenten) bij elkaar gehouden; deze zijn minder stevig dan een botstructuur die de bewegingsvrijheid van botten in een gewricht beperkt, zoals bijvoorbeeld in de elleboog. “Een schouder uit de kom” is daarom een bekend fenomeen. De Humerus glijdt dan als het ware uit de kom, omdat de banden hem daar niet konden houden. Op dat moment worden de banden erg uitgerekt. Wordt de Humerus dan snel weer terug geplaatst, dan kunnen de banden ook gauw weer in hun eigenlijke vorm en lengte terug gaan; blijven de banden echter langer in de uitgerekte toestand, dan duurt het ook langer voordat zij zich terug ontwikkelen. Als dit gebeurt, dan blijft de schouder voorlopig een gevoelige plek en is de kans groter dat de Humerus opnieuw uit de kom glijdt.
Bovenarm (2)Het schouderblad, de Scapula heeft twee uitsteksels die naar de voorkant van het lichaam wijzen; de Coracoideus, oftewel ravensnavel die onder het sleutelbeen langs verbonden is met de schoudergewrichtskapsel; en het Acromium dat goed voelbaar aan de bovenkant van onze schouder ligt. Hier vormt het Acromium een gewricht met het sleutelbeen, de Clavicula.

De Clavicula is bij het proximale eind verbonden met het borstbeen, het Sternum. Dat is in feite de eerste stabiele verbinding die de hele arm met ons centrale skelet heeft.

Op deze manier ons skelet bestuderend ontdekken wij, dat onze arm eigenlijk niet aan de buitenkant van onze schouder (het Acromium) eindigt. Onze arm begint bij de vingers en loopt door tot ons borstbeen aan de voorkant (anterior) en tot de schouderbladen aan de achterkant (posterior).